Planten 2017

Rapport ‘Plantenkartering Ruimte voor de Lek 2008-2016’ verschenen!

In de Lekuiterwaarden tussen Vianen, Houten, Nieuwegein en IJsselstein is in 2010-2015 het project Ruimte voor de Lek uitgevoerd. Er zijn nieuwe geulen gegraven, kaden verlaagd of verlegd, en het projectgebied heeft vervolgens een natuurfunctie gekregen.

Dick Kerkhof, lid van de plantenwerkgroep van de Natuur- en Vogelwacht De Vijfheerenlanden, heeft in 2008-2016 de flora gekarteerd. Al snel na de oplevering vestigden zich op de oevers van de nieuwe geulen allerlei voor het rivierengebied karakteristieke pionierplantjes, waaronder Slijkgroen, Klein vlooienkruid, Liggende ganzerik, Liggende ganzenvoet en Slibmos. Vooral de ’t Waalse Waard (aan weerszijden van de A27) blijkt rijk te zijn aan dergelijke pioniers, vermoedelijk doordat daar al een zaadbank was opgebouwd langs de zandwinput die voor de herinrichting aanwezig was.

Ook Blauwe waterereprijs, Witte waterkers en Nopjeswier, pioniers die optimaal voorkomen in het zoetwatergetijdengebied, hebben zich uitgebreid, wat erop wijst dat de Lek meer en meer het karakter van een zoetwatergetijdenrivier krijgt. In een groot deel van het jaar is het tijverschil hier nu 120 à 150 cm.

In de drogere terreinen gaat de vestiging van nieuwe plantensoorten een stuk minder snel. De plantenkartering maakt vooral duidelijk in welke uiterwaarden waardevolle, soortenrijke graslanden liggen. Dat zijn van oost naar west de Ossenwaard (het schiereiland bij de stuw), de Pontwaard (de westelijke leidijk langs het Merwedekanaal), de Mijnsheerenwaard (tussen de Buitenstad en de A2) en de Middelwaard (ten westen van de A2). Aan de noordzijde van de Lek is het westelijkste, niet vergraven deel van de Bossenwaard relatief rijk aan bijzondere graslandplanten. Alle genoemde terreinen of terreindelen kennen een lange geschiedenis van weinig of geen bemesting en een beheer van hooien of extensief begrazen.

Het belangrijkste graslandtype is het droge stroomdalgrasland, dat hoofdzakelijk bekend is van Nederland. Het was in ons land echter altijd al tamelijk zeldzaam en beperkt tot de zandigste delen van de uiterwaarden. Door bemesting, maïsteelt en ontzandingen is sinds 1955 meer dan 80% van het droge stroomdalgrasland verloren gegaan. Het is van groot belang de resterende soortenrijke percelen in de gemeente Vianen te behouden en in andere geschikte zandige, droge uiterwaarddelen, zoals de kribvakken in de Vianense Waard, nieuw droog stroomdalgrasland te ontwikkelen.

Door de plantenkartering te herhalen (bijvoorbeeld over 4 à 6 jaar) kan vastgesteld worden of er veranderingen ten goede of ten kwade zijn opgetreden en vervolgens kan eventueel het beheer aangepast worden.

Download hier het rapport