St. Jansberg
en Mookerheide
5 juni 2011

Dit is de 17e keer dat Leo Koster een excursie voor ons organiseert en hoewel dit zijn gebied helemaal niet is, is hij er toch weer in geslaagd ons een unieke wandeling mee te laten maken. Petje af!
Met één auto (5 pers.) vertrekken we in de stromende regen uit Leerdam. We zien het aanvankelijk wel somber in, maar naarmate we zuidelijker komen, wordt het lichter. Uiteindelijk hebben we daar geen spat gehad. De zon schijnt pas later op de dag en dat is maar goed ook, want nu blijft de temperatuur bij ca. 230 steken. Het had echt niet warmer moeten zijn.
Op de afgesproken parkeerplaats komen er nog 2 mensen bij. Leo vertelt over het ontstaan van het landschap. De ijstijden hebben hierin een belangrijke rol gespeeld. Het Scandinavisch gletsjerijs heeft de bevroren metersdikke bovenlaag over de relatief weke en zachte, onbevroren onderlaag afgeschraapt, opzij geduwd en scheefgesteld tot stuwwallen. De stuwwal bij Nijmegen bestaat uit de St. Jansberg (59 m.), de Kiekberg (79 m) en de St. Maartenberg (67 m) en bezit talloze bronbeekjes. Sprengen zijn uitgediepte of bewust gegraven bronnen. De stuwwal is vroeger veel hoger geweest (200 m.), maar heeft in de loop der eeuwen door erosie aan hoogte verloren.
Terwijl Leo dit allemaal vertelt, horen we de boomkruiper. Het is de bedoeling dat we via de bovenste Plasmolen naar de Mookerheide gaan en dan in Plasmolen gaan lunchen. Dus gaan we op weg. Langs reuzenberenklauw - een exoot, binnengehaald omdat die zo mooi is, maar gevaarlijk vanwege het feit dat hij bij aanraking brandblaren kan veroorzaken – knoopkruid en hop. We steken de Helbeek over waar een reusachtige, heel oude eik staat, waarbij Leo citeert: Eichen soll mann weichen, Buchen muss man suchen in geval van onweer. Bij stinkende gouwe laat Leo het gele sap zien dat helpt tegen wratten en de mierenbroodjes die aan de rijpe zaadjes zitten. De mierenbroodjes zorgen ervoor dat de zaden d.m.v. mieren verspreid worden. We zien klein springzaad, enorme robinia’s, horen en zien de grote bonte specht en staan voor de Molenvijver, die zorgt voor een constante wateraanvoer voor de Bovenste Plasmolen, waar we naartoe lopen.
Gezien de beperkte ruimte die nu hier beschikbaar is, kan ik het een en ander slechts kort noemen. Een uitgebreid verslag is op verzoek te krijgen, evenals de informatie die Leo meegaf.
Op het landgoed St. Jansberg komen van oudsher bronnen en beken voor. Het water was zo zuiver dat het geschikt was voor het maken van papier. Vandaar dat op deze plaats al vele eeuwen een water-molen aanwezig is.
De molen deed mogelijk in de 15e eeuw al dienst als papiermolen. Door omstandig-heden is de molen in het verleden diverse keren omgebouwd voor andere gebruiks-functies. Na de restauratie in 1999 kan deze bijzondere molen met midden- en bovenslagrad weer gebruikt worden voor het malen van graan.
Als we bij de molen staan en het verhaal van Leo aanhoren, worden we binnen-geroepen door een aardige mevrouw, die ons de molen van binnen laat zien, de geschiedenis vertelt en de hele werking uitlegt.
We vervolgen onze weg. De St. Jansberg staat bekend om zijn hellingbossen en prachtige uitzichten. Een boterbloempje vraagt even aandacht, een vlindertje, geel als boter, dat zijn eitjes afzet op valse salie. Hier staan grote Haagbeuken en Grote veldbies, een soort van vochtige tot natte, zure grond in loofbossen op leemgrond, vooral op steile hellingen en in brongebieden (Heukels).
We lopen over een heel mooi pad, een holle weg en proeven waterpeper, dat ook altijd een vochtige omgeving nodig heeft. Dat zegt iets over het gebied waarin we ons nu bevinden. We horen zwartkop, fitis, grote lijster, boomkruiper, zien akkerkool, een mooi grasje, nee: een zegge, glad walstro en ruiken de stinkzwam. De vuilboom of sporkehout levert heel hard hout, dat gebruikt werd voor huishoudelijk gebruik. Een tamme kastanje staat in bloei. Deze is hier gebracht door de Romeinen, evenals fazanten en konijnen. Amerikaanse vogelkers is in het verleden in Nederland aangeplant om de bodemstructuur te verbeteren. De soort doet het hier zo goed dat hij nu bospest genoemd wordt.
Leo vertelt over een project voor het vliegend hert. Stukken boomstammen van de eik worden gedeeltelijk ingegraven om het hout te laten verrotten. Deze stukken dienen dan als broedstoven voor de larven van het vliegend hert, die daar 3 tot 5 jaar nodig hebben om volwassen te worden.
Verschillende keren zien we zwarte naaktslakken in een boom en we vragen ons af of deze verwant zijn aan de roodbruine Gewone wegslak (Arion rufus) die hier overal te vinden is en een lekkernij vormt voor de dassen. We horen de tuinfluiter en grasmus, die we ook zien vliegen. Langs het pad glanshaver, beemdgras en kropaar om maar een paar grassen te noemen. In de verte het Duitse Reichswald, dat ook deel uitmaakt van dit gebied. Later zullen we zien dat er, in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur, aan gewerkt is en wordt de gebieden weer met elkaar te verbinden, met name voor het edelhert.
Een ree heeft een ligplaatsje gemaakt en zijn veegsporen achter-gelaten. Als we het bos uitkomen, staan we voor het Zevendal, een enorme laagvlakte, gevormd door een gletsjer, als akkerbouwland gebruikt en nu teruggegeven aan de natuur. Langs het pad staat o.a. heggerank en valse salie. Aan de overkant ligt de Mookerheide, waar we heengaan. Vanaf het hoogste punt kijken we uit over het hele gebieden waarvan ik bedenk dat het hier in augustus prachtig moet zijn als de hele hei in bloei staat. Op de hei vindt Leo nog een zakjesdrager. Best bijzonder. De zandhagedis vinden we helaas niet. De boomleeuwerik laat van zich horen, net als de kneutjes en de boompieper, die hier echt helemaal thuishoort, geeft demonstraties van zijn mooie vlucht, begeleid door zijn zang. In de verte zien we een Schotse Hooglander, die, zoals later blijkt, deel uitmaakt van een kleine kudde. Er ligt ook een kalfje, een paar dagen oud, dat toch maar gauw de bescherming van zijn moeder opzoekt als wij naderen.
Na de lunch met soep in een gezellige eetgelegenheid gaan we de andere kant op, steken een beek over, waar dubbelloof staat. We komen in een bos, klimmen even (pff!), komen op een plaats waar resten van een enorme Romeinse villa staan en dan…. een prachtig oud bos met mispel, mammoetbomen, boskrieken die de vruchtjes al hebben laten vallen, een sprookjesboom, bomen, begroeid met klimop, waarvan de wortels en takken op zich al bomen vormen, plekken waar de wilde zwijn(tjes)en gepoedeld hebben, de zeldzame koningsvarens met een pluim. Waar we behalve vogels als de merel, roodborst en zwartkop ook kuifmezen horen. Een verse zwavelzwam valt wel erg op. We wandelen over een hooggelegen pad langs drie vennetjes, het kan bijna niet op.
Dan komen we het bos uit en een concert van groene kikkers verwelkomt ons. Toch verlaten we het bos niet echt, d.w.z. we vervolgen het pad halverwege de helling, met aan de rechterkant de Helbeek en dan het bos en aan de linkerkant een moerasgebied. Dit is wel zo bijzonder.
Een gedeelte van die Helbeek is in het voorjaar letterlijk met een hark van een deel van het overvloedig gevallen blad ontdaan voor de doorstroming. Helaas zijn nu ook verkeersgeluiden te horen van de weg verderop, maar we luisteren aandachtig naar de kleine karekiet en gekraagde roodstaart. Dan nog eens koningsvarens, goed te bekijken langs het pad en reuzenpaardestaarten, een heel oude soort, van vochtige grond.
Veel te vlug zijn we bij de weg, dan is het een kwestie van de weg oversteken en we zijn weer bij de auto. Maar eerst drinken we nog wat op een terras en we komen tot de conclusie dat, wie thuis is gebleven vanwege de (verwachte) regen, heel wat gemist heeft.
S. van Baren.
